Beslissingen College van Beroep GVO - 2019

2019 - 04 pdf bestandbeslissing_CvB_GVO_2019_04.pdf (141 kB)

Feiten:

evaluatie

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’

Beslissing college van beroep: 

5 november 2019 – het college van beroep gesubsidieerd vrij onderwijs vernietigd de evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’

Grond van de zaak:

Verzoekende partij werpt de schending op van art. 47ter §1 DRP. Verzoekende partij ontving enkel een ‘functiebeschrijving directeur van een schoolteam’. Verwerende partij meent dat verzoekende partij bij haar vaste benoeming in het bevorderingsambt van directeur een geïndividualiseerde functiebeschrijving zou hebben ontvangen.

Verzoekende partij geeft aan dat ze de functiebeschrijving ondertekende tijdens het gesprek op 3 juni 2019.

Het college van beroep stelt vast dat het document getiteld ‘functiebeschrijving directeur van een schoolteam’ niet voldoet aan de eisen gesteld in het DRP.

 

2019 - 03 pdf bestandbeslissing_CvB_GVO_2019_03.pdf (196 kB)

Feiten:

evaluatie (centra voor basiseducatie)

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’

Beslissing college van beroep: 

5 juni 2019 – het college van beroep gesubsidieerd vrij onderwijs vernietigd de evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’

Grond van de zaak:

De motivatie van het beroepschrift betreft een inhoudelijke argumentatie waarin de verzoekende partij punten in het evaluatieverslag weerlegt en verwijst naar de stroeve interpersoonlijke relatie.

Verwerende partij werpt op dat de bestreden beslissing conform de procedureregels van het Decreet Rechtspositie Basiseducatie tot stand is gekomen. Er wordt niet betwist dat er geen geïndividualiseerde functiebeschrijving werd opgemaakt. De verdediging meent bovendien dat de ratio van een geïndividualiseerde functiebeschrijving wel bereikt werd en zij in alle redelijkheid tot een evaluatie “onvoldoende” is gekomen en dat de bestreden beslissing het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel niet schendt. 

Verzoekende partij werpt op dat het evaluatieverslag ter kennisname per mail werd voorgelegd, maar er is geen kopie gestuurd naar een bestuurslid van de inrichtende macht. Voorts worden de beroepsmogelijkheden niet volledig vermeld, op straffe van nietigheid al eerder beslist door het college van beroep.    

Verzoekende partij is van oordeel dat “de regels van functiebeschrijving én het evaluatiegesprek/verslag niet nageleefd zijn conform decreet van 27 maart 1991 betreffende rechtspositie TADD in het gesubsidieerd onderwijs én volgens de omzendbrief van 29/10/2007. Zij meent een schending vast te stellen van artikel 71, §1 van het Decreet Rechtspositie Basiseducatie. Zij is ook van oordeel dat de eindconclusie ‘onvoldoende’ het redelijkheidsprincipe schendt gezien zij ‘in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak kan maken op een uitbreiding van haar tijdelijke aanstelling’.

Het College van Beroep volgt de redenering van de verwerende partij niet waarin wordt gesteld dat een geïndividualiseerde functiebeschrijving niet nodig is om een tot een geldige evaluatie te komen. Artikel 79, §1 en 2 van het Decreet Rechtspositie Basiseducatie geeft specifiek weer wie verantwoordelijk is voor het opstellen van de geïndividualiseerde functiebeschrijving en wat de inhoud daarvan moet zijn. De noodzakelijkheid van dit document kan niet betwist worden. Het College van Beroep erkent dat verwerende partij inspanningen toont rond het voeren van gesprekken rond functioneren, maar het kan noch in de stukken, noch tijdens de hoorzitting vaststellen welke tekortkomingen of beroepsfouten worden verweten. Het College is van oordeel dat deze sanctie disproportioneel is. 

 

2019 - 02 pdf bestandbeslissing_CvB_GVO_2019_02.pdf (141 kB)

Feiten:

evaluatie

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’

Beslissing college van beroep: 

2 mei 2019 – het college van beroep gesubsidieerd vrij onderwijs oordeelt dat het beroep laattijdig werd ingesteld en niet kan behandeld worden

Grond van de zaak  

Art. 47septiesdecies §5, 1° DRP bepaalt dat het beroep op straffe van verval dient ingesteld te worden binnen een termijn van 20 kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag. 

Het 2e lid art. 7 van het besluit van 14-12-2007 vermeldt: “als het einde van de termijn valt binnen de herfst-, kerst-, krokus-, paas- of zomervakantie, die termijn wordt opgeschort”.
In casu viel de uiterste datum van de beroepstermijn buiten de (paas)vakantie.

 

 

2019 - 01 pdf bestandbeslissing_CvB_GVO_2019_01.pdf (128 kB)

Feiten:

evaluatie

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’

Beslissing college van beroep: 

2 mei 2019 – het college van beroep gesubsidieerd vrij onderwijs oordeelt dat het beroep laattijdig werd ingesteld en niet kan behandeld worden

Grond van de zaak  

Art. 47septiesdecies §5, 1° DRP bepaalt dat het beroep op straffe van verval dient ingesteld te worden binnen een termijn van 20 kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag. 

Verzoekende partij weigert het evaluatieverslag te ondertekenen en in ontvangst te nemen. Het evaluatieverslag wordt per aangetekend schrijven verstuurd. Het college van beroep is van oordeel dat de dag na de overhandiging, de termijn begint te lopen.

Het college stelt vast dat het evaluatieverslag vermeldt: “dit beroep dient te gebeuren aan de bevoegde college van beroep en binnen 20 kalenderdagen na ontvangst van het evaluatieverslag”. Het college is van oordeel dat “na ontvangst” niet overeenkomt met de bewoordingen van het DRP.
Het college van beroep oordeelt dat het beroep onontvankelijk is.